Filosofiedispuut Φ

Dit artikel is gepubliceerd in Kleintje VGST 9 jaargang 20, mei 2003

God in de filosofie na de verlichting.

Inleiding

Niet alleen in de theologie word er gesproken over God. Ook in de filosofie werden er al van het begin ideeën gespuid over het bestaan van goden. Geheel in overeenstemming met de democratische traditie van de oude Grieken geeft Plato een bewijs voor het bestaan van goden ‘e consensu gentium’ (uit de eensgezindheid van de volkeren, ‘de meeste stemmen gelden’). “Alle Grieken en barbaren zijn van mening dat er goden bestaan,” mede omdat “de jaargetijden zo schoon geregeld zijn”. Maar in de middeleeuwen kwamen de godsbewijzen pas echt van de grond. Drie theologen zijn hierdoor bekend geworden Aurelius Augustinus, Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino. Tot aan de verlichting was er niet veel ontwikkeling op dit gebied. Maar in de verlichting was er een enorme opleving. Grote filosofen zoals Kant en Descartes deden hun uitspraak op dit gebied. Wat in het geval van Kant een negatieve impact had op het idee van een godsbewijs. Maar Nietzsche en Freud hebben er echt een potje van gemaakt.

Godsbewijzen

De meest voorkomende manier in de filosofie waarmee over God gesproken wordt is het godbewijs. Hiermee hebben theologen en filosofen geprobeerd om het bestaan van een God te kunnen bewijzen. Er zijn vele bewijzen opgesteld maar ze kunnen worden ingedeeld in drie categorieën die hierna behandeld worden.

Ontologisch godsbewijs

Sint Anselmus van Canterbury in de donkerste dagen van de Middeleeuwen doet sinds Plato voor het eerst weer een poging tot een godbewijs. Het ontologisch godsbewijs, zoals het bewijs van Anselmus de geschiedenis is ingegaan, kent vele volgelingen zoals Descartes, Spinoza en in de moderne tijd Malcolm. De essentie van het bewijs is dat het bestaan van God afgeleid wordt uit het begrip dat wij van Hem hebben. Hij is almachtig, alwetend, oneindig goed, perfect et cetera. In tegenstelling tot een bewijs op basis van de godservaring, zoals het eerder genoemde bewijs van Plato.
Het bewijs verloopt in drie stappen, die samen één geheel vormen. Hij, wiens naam onuitspreekbaar is, is het grootste [lees: meest verhevene] denkbare wezen, is het eerste deel van het argument. De tweede aanname van Sint Anselmus is de volgende: een wezen dat gedacht kan worden als bestaand is groter dan een zelfde wezen dat gedacht kan worden als niet-bestaand. “Zo zijt Gij dus in waarheid, Heer, mijn God, dat men niet kan denken, dat Gij niet zijt; en terecht,” concludeert Anselmus. Het is dus inherent aan de perfectie van God dat Hij bestaat.

Kosmologisch godsbewijs

Het kosmologisch godsbewijs heeft een lange geschiedenis achter de rug. Vanaf Plato en Aristoteles, is het door de Middeleeuwen heen tot in onze tijd een veelbesproken onderwerp. Het bewijs kent felle verdedigers en even zo goed felle bestrijders. Vooral in de laatste eeuwen leek het gedaan met allerlei mogelijke godsbewijzen, waaronder het kosmologisch godsbewijs. In onze tijd krijgen godsbewijzen weer veel zeggingskracht. Veel natuurwetenschappelijke bevindingen in de 20e eeuw in de kosmologie, wijzen erop dat het universum een begin heeft. Kosmologen spreken dan ook steeds vaker over “The Fine tuning of the Universe”. De noodzakelijke en voldoende condities voor het universum moesten in het begin zo precies zijn geweest om leven op aarde tot stand te kunnen brengen, dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat het universum uit toeval is ontstaan.

Thomas van Aquino heeft wat men noemt zijn vijf wegen naar God geformuleerd, die sterk zijn beïnvloed door Aristoteles. De eerste drie bewijzen behoren tot de categorie van het kosmologisch godsbewijs.
Het eerste bewijs is vanuit de beweging en gaat als volgt: De dingen zijn in beweging (beweging is de meest duidelijke vorm van verandering). Verandering is een beweging van mogelijk naar werkelijk. Die verandering vindt plaats door iets wat dit mogelijk maakt. Er kan geen oneindige regressie van verwerkelijkers of bewegers zijn. Daarom moet er een eerste beweger zijn, die zelf niet bewogen wordt. Deze eerste beweger is wat we allen God noemen.
De twee andere bewijzen zijn: het bewijs vanuit de causaliteit en het bewijs van mogelijkheid en noodzakelijkheid.

Teleologisch of fysico-theologisch godsbewijs

Het teleologische godsbewijs argumenteert vanuit de doelgerichtheid van de natuur. De Bouwmeester van dat geordend geheel is God; Hij is de architect van het geheel en zorgt ervoor dat ook ‘natural bodies’ zich bijna altijd op dezelfde manier gedragen om zo tot het beste resultaat te komen. Ze proberen zo goed mogelijk te zijn, zoals ze moeten zijn (platoons gezegd: ze proberen zo veel mogelijk overeenkomstig de Idee te zijn). De dingen die dus geen kennis hebben bewegen toch naar een bepaald doel toe; deze doelgerichtheid is voor hem een zintuiglijk gegeven. Volgens Thomas van Aquino moet er een ontwerper van een wereld, die zo duidelijk doelgericht is, bestaan; deze ontwerper (dat zijnde waardoor alle dingen een doel hebben) noemen we God.

Filosofen na de verlichting

Hier volgt nu een beeld van drie filosofen na de verlichting en hun ideeën over God. Als eerste de filosoof Kant die het eind van de verlichting inluidt. Verder nog Nietzsche en Freud twee grotere filosofen van na de verlichting met een duidelijk mening over God. Verder zijn er nog Kierkegaard en Heidegger te noemen.

Kant

Kant was op zoek naar een mogelijkheid om betrouwbare kennis te verkrijgen. In deze poging perkte hij het gebied van zekere of betrouwbare kennis sterk in. Hij stelde onder andere dat de zoektocht naar een werkelijkheid die onafhankelijk van onze ervaring zou bestaan de metafysica, geen zin had. Deze werkelijkheid is er wel, maar we kunnen haar nooit kennen, aldus Kant. We nemen bijvoorbeeld altijd iets waar als bestaande in ruimte en tijd, terwijl ruimte en tijd kenmerken van onze waarnemingen zijn en niet van de dingen ‘an Sich’. Ook begrijpt ons verstand de dingen altijd in bepaalde categorieën, zodat ze aan de dingen kwantiteit, kwaliteit, relaties en modaliteit mogelijkheid, werkelijkheid of noodzakelijkheid toekent. Hoe het object van onze kennis er zonder deze bepalingen uit zou zien, is niet te achterhalen. Vandaar dat Kant kan stellen dat het kennen zich niet naar het object richt maar dat het object zich naar de vorm van ons kennen richt.

Ook in de praktische filosofie zoekt Kant de a priori-regels, die hun geldigheid niet aan de ervaring ontlenen. Het gevolg hiervan is dat de hoogste morele wet, die absoluut geldig is, uitsluitend een formeel principe kan zijn, omdat alle inhoud uit de ervaring voortkomt. Met handhaving van de traditionele moraal en de daarin vervatte stelregels legt Kant het fundament van de morele wet in de categorische imperatief. Deze imperatief heet categorisch in tegenstelling tot alle andere imperatieven, die slechts hypothetisch zijn, dwz. zij geven aan wat de voorwaarden zijn om een bepaald doel te kunnen verwezenlijken, maar hebben alleen gelding voor zover het doel gewenst is. De categorische imperatief daarentegen geldt uit zichzelf, ongeacht het doel dat men zich op een bepaald moment stelt. Op verschillende wijzen heeft Kant deze imperatief geformuleerd; o.a. ‘handel slechts volgens die stelregel, waarvan u tegelijk kunt willen dat deze tot algemene wet wordt’; ‘handel zo, dat u de mensheid zowel in uw persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit alleen als middel hanteert’. Ongeacht het feit of men neigingen heeft een bepaald gedrag te volgen, blijft alleen de plicht gelden.
De zedelijkheid is autonoom, dwz. stelt a priori de wet op, zonder aan neigingen van welke aard ook onderworpen te zijn, wat altijd heteronomie zou betekenen. Om de zedelijkheid te laten functioneren, zijn drie voorwaarden, postulaten, onmisbaar: God, als garant van de zedenwet; vrijheid voor de mens om zedelijke beslissingen te nemen; onsterfelijkheid als situatie waarin alle aardse onrechtvaardigheden kunnen worden vereffend.
Deze postulaten zijn bepaald geen bewijzen, want m.n. alle godsbewijzen zijn in Kants denksysteem volledig ontzenuwd. Ze betekenen immers altijd dat men ervaringsbegrippen op een ongeoorloofde wijze toepast op een verondersteld wezen buiten de ervaring.
De religie als zodanig heeft voor Kant trouwens voornamelijk waarde als ondersteuning van de moraal: religie is het beschouwen van de plichten alsof het goddelijke geboden zijn.

Nietzsche

Als er zoiets als het leven van een gepijnigde geest bestaat, dan komt het leven van Friedrich Nietzsche daar zonder meer voor in aanmerking. Niet alleen vanwege zijn slepende ziektegeschiedenis en gebrek aan erkenning, maar ook door de radicale inzet van zijn denken. Nietzsches filosofische leven staat in het teken van een totale verwerping van de intellectuele, culturele en emotionele verworvenheden van de christelijke cultuur. Hij beoogt een herwaardering van alle waarden. Aanvankelijk begeesterd door Schopenhauer en Wagner neemt hij al spoedig afstand van beiden om daarna stelselmatig filosofische noties als het ‘ware’, ‘goede’ en ‘schone’ te ontmantelen en de metafysische grondslag van de werkelijkheid en de wereld – het Ene en God – met zijn filosofische hamerslagen te bestoken. Rusteloos heen en weer reizend tussen Italiaanse en Zwitserse steden wijdt Nietzsche zich aan een dubbele taak: enerzijds de vernietiging van de christelijke waarden en de beschrijving van het eraan inherente nihilisme, anderzijds de ontwikkeling van zijn eigen afgrondelijke inzichten: de Wil tot Macht, de Eeuwige Wederkeer en de Übermensch. Volgens de filosoof met de hamer zou niet het eigenmachtige subject - de God op aarde - maar een dynamisch krachtenveld de menselijke wil en het handelen bepalen. Nog minder is het de vooruitgang naar een hemels of werelds paradijs dat de loop der dingen oriënteert, maar de terugkeer en hernemen van telkens weer dezelfde intensiteiten die ieder werelds wezen ongewild moet doorlopen. Evenmin is de mens de ultieme gestalte waarin de evolutie zich voltooit, zoals veel negentiende-eeuwse evolutionisten menen, maar de overgang naar een andere levensvorm.

Freud

Freud kwam al vroeg op het idee dat er een potentieel conflict is tussen enerzijds de beschaving en anderzijds de (onbewuste) drift naar het plezier, i.h.b. naar het seksuele plezier. Onze beschaving, zegt hij, is gebouwd op het onderdrukken van de driften van de afzonderlijke individuen. Deze onderdrukking gaat soms gepaard met een proces van sublimatie, van de wending van de seksuele driften in de richting van andere, niet-seksuele doelen, die positief gewaardeerd worden door de samenleving (b.v. literatuur, muziek, kunst) Er zijn echter vernietigende-anti-culturele en anti-sociale-neigingen in de meeste mensen, die altijd blijven bestaan. Controle van de massa-die volgens Freud ‘lui en onintelligent’ is-door een elite is daarom onontbeerlijk. Alleen daardoor kan de massa ertoe worden bewogen de voor het gemeenschappelijk goed noodzakelijke zelfverloochening op te brengen. Tegelijkertijd is dit echter een gevaarlijk proces.
Om te begrijpen waarom, moet er iets over Freuds algemene theorie verteld worden. Volgens Freud zijn er in ieder mens drie instanties, die hij ego, identiteit en superego noemt. De identiteit is de bron van instinctieve energie; het ego geeft hem ‘rationele raad’; het superego is een soort geweten. De oorsprong van het superego ligt in de overwinning door de mens van zijn Oedipuscomplex. Dit complex bestaat uit het verlangen van het kind naar de ene ouder-de moeder-en een daaruit voortvloeiende wens dat de andere ouder-de vader-verdwijnt, dat wil zeggen doodgaat, om daardoor het veld vrij te maken. Aangezien dit verlangen niet te bevredigen is, ondervindt het kind een gevoel van frustratie, maar tegelijkertijd een schuldgevoel. Want zo'n begeerte naar de moeder en naar de dood van de vader is verboden. Daarom onderdrukt het kind zijn verlangens door dit verbod te ‘internaliseren’. Er ontstaat aldus een soort politieagent in zijn eigen hoofd. Hij geeft zijn oorspronkelijke verlangens op-tenminste, dat doet hij wat zijn bewuste geest betreft, want onbewust leven deze verlangens voort.
Zijn bestaan wordt psychisch ingewikkeld, zoals het bestaan van alle volwassenen. Bij sommige mensen wordt dit ontwikkelingsproces niet goed afgesloten. In extreme gevallen ontwikkelt een mens zelfs helemaal geen gevoel voor goed en slecht en hij wordt een psychopaat. Andere mensen krijgen problemen in een spanningsveld tussen onbewuste verlangens en wat de samenleving en het eigen geweten officieel toelaten. Dit kan leiden tot neurotische of zelfs psychotische toestanden.
Praktisch iedereen heeft de neiging, onder moeilijke omstandigheden, om ten prooi te vallen aan regressie (terug naar een kinderlijk ontwikkelingsstadium).
Een typisch en wijdverspreid voorbeeld van dit soort gedrag is voor Freud het geloof in God of in een religie. Wanneer een mens het ‘zelf niet meer weet’, dan is hij geneigd om zijn heil te zoeken bij zo’n door een ander – bijvoorbeeld door God – voorgeschreven code en leer. Volgens Freud is de religie in die zin een illusie.
Het kan zijn dat een heel volk of het grootste deel daarvan zich op zo’n regressief geloof stort. Dit kan bijvoorbeeld. het geloof in een of ander fundamentalistisch godsdienstig systeem zijn. Maar het kan net zo goed het geloof zijn in een politiek idee bij voorbeeld het socialisme of het nationalisme of het liberalisme of wat dan ook.

Conclusie

In de middeleeuwen was het godsbewijs een methode om het geloof in God te versterken. In de verlichting kregen de godsbewijzen weer een grote comeback en er werd weer druk over gefilosofeerd. Aan het eind van de verlichting schoof Kant alle godsbewijzen aan de kant. De God die hij vond was een boeman om de mensen te straffen. Nietzsche en Freud zijn twee van de weinige filosofen na de verlichting die zich verder serieus met dit onderwerp hebben ingelaten. Wat heeft geresulteerd in een negatief beeld van God in de filosofie. Waarin de middeleeuwen veelvuldig op een positieve manier tegen God in de filosofie werk aangekeken werd het langzaam stiller en negatiever.


Met amicale groet,

Chris Kreeft


Bronnen

Internetbronnen: